In 1825 gelastte Koning Willem I een onderzoek naar het begraven in de kerken. Een commissie van deskundigen op het gebied van onder meer geneeskunde en scheikunde moest de schadelijkheid voor de gezondheid onderzoeken van het begraven in de kerk en op begraafplaatsen binnen de bebouwde kom. De uitkomst van het onderzoek was dat de Koning het eerder afgeschafte decreet uit 1804 dat door de Fransen in Nederland in 1811 in werking was getreden en door hemzelf in 1813 was afgeschaft, weer in het leven riep. Dat betekende concreet dat per 1 januari 1829 het niet meer toegestaan werd in de kerk te begraven en voor grotere plaatsen met meer dan 1.000 inwoners ook niet meer rondom de kerk op het kerkhof. De uitvoering werd bij de provincies gelegd.
Zicht op de begraafplaats vanaf de ingang.
Er werden per provincie voorwaarden gesteld aan de aanleg van een begraafplaats, maar in hoofdlijnen komen ze overeen. De afstand tot de bebouwde kom diende minimaal 30-40 ellen te zijn. Het oppervlak van de begraafplaats moet minimaal “vijfmaal groter zijn dan de oppervlakte welke nodig is tot het begraven der lijken van een jaar”. Ook diende een begraafplaats in de provincie Utrecht ommuurd te zijn. In Harmelen is er ontheffing voor deze laatste eis gekomen en is er een gracht gegraven om de begraafplaats en een heg geplaatst “ter bekwamer hoogte”.
Een nieuwe begraafplaats in Harmelen
Net buiten Harmelen gaf Willem Prast een stukje grond in erfpacht aan de gemeente om een begraafplaats te realiseren. De erfpachtsom bedroeg 25,- gulden per jaar. Later schonken de erfgenamen van Prast deze grond aan de Hervormde Kerk, waarna de gemeente de erfpacht aan de kerk betaalde. In 1886 is het eigendom van de grond voor 2/3 overgegaan naar de gemeente Harmelen en 1/3 naar de toenmalige gemeente Veldhuizen.
In het begrafenis regelement van Harmelen uit 1828 is onder artikel 1 opgenomen dat: “Alle de lijken onder het Karspel van Harmelen vallende zullen moeten worden ter aarde besteld op het algemeen Burgerlijke Kerkhof met uitzondering van die der Rooms Catholieken die van haar eigen aangelegde Kerkhof zullen kunnen gebruik maken.”
Het niet meer begraven in en om de Hervormde kerk zorgde ervoor dat hier voor het kerkbestuur geen inkomsten meer uitkwamen. Het kerkbestuur is hiervoor in 1834 door de gemeente Harmelen gecompenseerd door betaling van 756,87 gulden, te weten 126,- gulden per jaar.
De aanleg
De nieuwe begraafplaats was rechthoekig in aanleg met een afmeting binnen de heg van 14,8 meter breed en 36 meter lang. Rondom werd een gracht gegraven en er werd een dam aangelegd richting de Leidsestraatweg. De begraafplaats en ook de toegang over het driehoekig stukje grond tussen de gracht en de Leidsestraatweg werden opgehoogd.
Detail kadastrale kaart 1832 (Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Op de begraafplaats kwamen 120 graven, 60 huurgraven en 60 zogenoemde koopgraven. Er was verder geen onderscheid in klassen. De huurgraven werd in twee rijen aangelegd. “rei 1” met de oneven nummers 1 t/m 59 strak tegen de heg aan de westzijde en strak tegen de heg aan de noordzijde en “rei 2” met de even nummer 2 t/m 60 naast het middenpad van 4,1 meter breed. De lengte van de graven was twee meter met een breedte van een meter. De ruimte tussen de rijen was 0,3 meter. Tussen de heg aan de straatzijde en de huurgraven lag ongeveer zes meter, deze ruimte werd aanvankelijk gebruikt voor kindergraven.
Tekening op schaal, die de situatie in 1829 weergeeft.
De koopgraven kwamen in twee rijen aan de oostzijde te liggen “rei 1” met de oneven nummers 1 t/m 59 aan een pad naast de heg aan de oostzijde, en “rei 2” even nummer 2 t/m 60 naast het middenpad. De lengte van de koopgraven was met 2,35 meter iets groter, de breedte was net iets meer dan een meter. Ook hier was de ruimte tussen de rijen 0,3 meter. Als een koper meer graven naast elkaar ‘kocht’, dan kon deze tegen betaling een grafkelder later aanleggen waarin meerdere personen konden worden bijgezet.
In de raadsvergadering van 5 mei 1829 werd gemeld dat de begraafplaats geheel gereed was. De totale kosten bedroegen 830 gulden. Er was een kostentabel voor een begrafenis. Er werd apart betaald voor:
- het openen en sluiten van het graf
- het luiden van de kerkklok
- het gebruik van een lijkkleed over de kist
- het gebruik van een draagbaar
Er was onderscheid in koop- en huurgraven met aparte tarieven, verder was er onderscheid tussen de kosten voor “volwassenen, niet volwassenen en kinderlijkjes”. Ook zonder geld werden mensen begraven, aanvankelijk in huurgraven tussen de andere graven in, later apart.
Tussen de heg aan de straatzijde en de koopgraven werd in 1836 een baarhuisje opgericht van baksteen en hout. In 1868 werd het huisje verplaatst en vervangen door een nieuw bakstenen huisje.
Koopgraf nummer 1 en 2 waren bestemd voor Willem Prast en zijn zoon Pieter Prast. De koopgraven werden in de loop van de jaren verkocht. Tegen 1900 was de laatste verkocht. Een heg rondom de begraafplaats onttrok het zicht op de begraafplaats, terwijl op de dam aanvankelijk een houten hek werd geplaatst.
Tekening van het oorspronkelijke hekwerk.
De begraafplaats in gebruik
In de koopgraven werden relatief gezien maar weinig mensen begraven, hooguit enkele per jaar. Het zou ongeveer 70 jaar duren voordat ze alle in gebruik waren genomen. Tegenwoordig zijn deze graven nog steeds voorzien van de oorspronkelijke hardstenen grafpaaltjes. De koopgraven konden door de rechthebbenden worden verkocht aan derden, wat werd bijgehouden in het register.
De huurgraven waren feitelijk algemene graven en hier werd aanvankelijk op volgorde begraven, waarbij men de eerste overledene tegen de heg aan de westkant heeft begraven beginnende bij graf 1, 3, 5 etc. Hierna is in rij 2 begraven in volgorde 2, 4, 6 etc. De eerstvolgende werd onder in een leeg graf begraven, de daaropvolgende erboven. Dit was meestal geen familie van elkaar. Gedenkstenen werden waarschijnlijk niet geplaatst, aangezien de graven na 5 jaar konden worden geruimd. In januari 1886 werden gietijzeren grafpaaltjes aangeschaft en pas vanaf die tijd zijn de grafnummers van de huurgraven vermeld in het register. De graven 1 en 3 zijn het eerst in gebruik genomen en ook als eerste geruimd. Deze twee graven zijn hierna tot maart 1888 gebruikt als “bergplaats voor beenderen”.
De meeste overledenen waren kinderen, die in eerste instantie werden begraven op een klein veld links van de ingang. In kindergraven werden soms tot wel acht kinderen begraven.
Klassen
In de loop van de negentiende eeuw kwam er een onderscheid in klassen en kwamen er armengraven. In de 1e klasse werden de overledenen begraven in een mahoniehouten kist, in de 2e klasse in een eikenhouten kist en in de 3e klasse in een vurenhouten kist. Bij de 4e/5e klasse en de armen- en kinderengraven staat geen kist vermeld in de stukken. De armengraven en de huurgraven werden aanvankelijk door elkaar heen gebruikt. Later zijn voor de armen tot maart 1888 de graven 61 t/m 71 en 62 t/m 68 ten westen van het hoofdpad gebruikt en de graven 61 t/m 67 en 62 t/m 66 ten oosten van het hoofdpad. Dat betekent dus dat zowel huurgraven als koopgraven werden omgezet in armengraven.
Uitbreiding van de begraafplaats
Aangezien de lijkontbinding langer duurde dan 5 jaar werd de termijn waarna een graf mocht worden geruimd in de Begrafeniswet van 1869 verlengd van vijf naar tien jaar. In Harmelen gaf dit druk op de beschikbare graven, aangezien de capaciteit van de begraafplaats feitelijk halveerde.
Kaart van de begraafplaats uit 1871.
In 1871 was er in Harmelen een pokkenepidemie waaraan meerdere mensen overleden. Zo overleden binnen enkele weken alleen al vijf volwassenen van de familie Prast. Deze werden allen bijgezet in de koopgraven nummer 1 en 2. Van de bevolking van Harmelen werden de vele mensen die waren overleden aan de pokken begraven in de graven 21 t/m 31 in rij 1 tegen de heg. Dit zijn zes graven, wat doet vermoeden dat men het niet zo nauw heeft genomen met de grafbreedte en zijn de kisten dicht op elkaar geplaatst. Volgens het medisch advies konden deze graven de eerste 50 jaar niet zonder risico voor de gezondheid geruimd worden. Ook dit verminderde de capaciteit van de begraafplaats.
Op de begraafplaats werden daarom aanpassingen gedaan om het aantal huurgraven te kunnen uitbreiden. Aan de twee rijen huurgraven werd een derde rij toegevoegd, namelijk een rij kindergraven met een lengte van 1,8 m. Deze kwamen te liggen direct naast het hoofdpad. Op de plek van de kindergraven werd rij 1 uitgebreid met de oneven nummers 61 t/m 71 en rij 2 met de nummers 62 t/m 72. Aan het eind van het hoofdpad kwam in 1876 het grafmonument voor Marie Jan Caan van Maurik. De rij kindergraven nummer 73 t/m 102 lagen vanaf dit grafmonument tot aan de heg naast de toegang. Tussen de koopgraven en de kindergraven bleef een pad van twee meter breed. Het baarhuisje werd afgebroken en op de locatie werden in twee rijen acht graven toegevoegd. Aan de eerste rij de nummers 61 t/m 67 en aan rij twee de nummers 62 t/m 68. In eerste instantie waren dit armengraven, maar vanaf 1888 werden dit huurgraven voor een periode van 15 jaar.
Tekening op schaal, die de situatie vóór 1907 weergeeft.
Een tweede uitbreiding buiten de heg
In 1903 werd er 1.075 m2 grond aangekocht ten noorden van de begraafplaats. Voor de uitbreiding zijn de noordelijke en oostelijke gracht gedempt. Aan de noordzijde van de uitbreiding op het “koolenveld” is een nieuwe gracht gegraven naar de Kleivliet (deze liep ten behoeve van de kleiwinning vanaf het vijverbos naar het sluisje bij de Rijn). De Kleivliet werd onderdeel van de gracht. De westelijke gracht werd verlengd tot de nieuwe noordelijke gracht. Het strookje land (Boschje) tussen de begraafplaats en de Kleivliet werd bij de begraafplaats getrokken. Voor deze werkzaamheden werd 1.200 m3 grond aangevoerd. De goedkeuring voor de werkzaamheden ging niet van een leien dakje, aangezien er bezwaren waren om gezondheidsredenen en het zou tot 1907 duren voordat de uitbreiding gereed was.
Kaart bij kadastrale meting uit 1903 die gemaakt is bij de aankoop van de grond voor de uitbreiding.
Cor van Bemmel
Een speciale locatie op de begraafplaats is te vinden direct bij de ingang, voor de heg die de entree van de oorspronkelijke begraafplaats markeerde. Hier staat nog een grafnummeraanduiding met nummer 1. Dit is het tijdelijke graf geweest van de Harmelense oorlogsheld Cornelis Hendrik van Bemmel. Cor overleed 32 jaar oud op 21 maart 1945 bij een vuurgevecht met de Duitsers. Ondergedoken in bezet gebied stuurde hij als marconist gegevens naar Engeland. Die dag in maart werd zijn zender in de woning van de familie De Ruiter aan de Parralelstraat in Assen uitgepeild door de Duitsers. Cor werd op 26 maart 1945 anoniem (“een onbekend mannelijk persoon, plm 30“) in Assen op de Zuiderbegraafplaats begraven. Op 10 april dat jaar werden een aantal mannen uit de verzetsgroep Assen waarvan Cor toen deel van uitmaakte, gefusilleerd. Deze mannen werden vijf dagen na de bevrijding van Assen op 18 april 1945 op de Zuiderbegraafplaats te Assen begraven. Cor van Bemmel is op die dag herbegraven in dezelfde rij als zijn makkers. In september 1945 vond de herbegrafenis in Harmelen plaats en sinds 24 januari 2008 rust hij op het Nationaal Ereveld in Loenen. Voor de hervormde kerk van Harmelen staat nu een monument ter herinnering aan Cor van Bemmel. Van de herbegrafenis in Harmelen in september 1945 is geen inschrijving gedaan in het begrafenis register van Harmelen, misschien wel passend bij een dergelijke uitzonderlijk dappere man die in het geheim opereerde en niet gevonden wilde worden.
De begraafplaats tegenwoordig
In 2019 ontstond het plan om de begraafplaats te sluiten, aangezien alle beschikbare grafruimte was benut. Een andere optie was om de begraafplaats weer in gebruik te nemen en graven te ruimen. Vanuit de bewoners werd voorgesteld om de begraafplaats een functie te geven als ontmoeting- en herdenkingsplek en het historische karakter te behouden. In 2022 verenigden de initiatiefnemers zich in de Initiatiefgroep Oude Begraafplaats, dat zich ontfermt over deze historische plek. Met de gemeente Woerden zijn een aantal werkafspraken vastgelegd, waarbij de gemeente verantwoordelijk blijft voor het groot onderhoud en de Initiatiefgroep Oude Begraafplaats en haar vrijwilligers voor het klein onderhoud.
Situatie 2024 met zichtbaar de diverse uitbreidingen.
Op 19 oktober 2024 reikte wethouder Roy Luca van de gemeente Woerden de Hugo Kotestein- oorkonde uit aan de vrijwilligers van de oude begraafplaats in Harmelen. Er was er een burgerinitiatief voor nodig om de verwaarloosde begraafplaats op te knappen. Een voorbeeld van hoe het ook kan: tegen geringe kosten, door mensen zelf gerealiseerd en in samenwerking met elkaar.
Bronnen en literatuur
- RHC Rijnstreek W125: 22
- RHC Rijnstreek W222: 717a, 789, 1456, 1459, 1943, 1945, 1947, 1949, 1957, 1960, 1961 t/m 1964 en 1967
- Initiatiefgroep Oude Begraafplaats Harmelen (geraadpleegd december 2025)
- Drents Archief
- Bok, Leon en Dam, René ten; Canon van het Nederlands funerair erfgoed, IJsselstein 2020




