Beroemde Graven

* Rotterdam 24 maart 1891 - † Baarn 23 oktober 1970
Dat Willem van Iependaal op latere leeftijd een sociaal schrijver werd, is waarschijnlijk voor een deel te danken aan de jaren die hij in zijn jeugd aan de zelfkant van de maatschappij doorbracht. Naast goed van de tongriem te zijn gesneden beschikte hij over een scherpe pen die hem in staat stelde zijn ervaringen met louche zaken en een meermalig verblijf in de cel op papier te zetten. De naar zijn mening tot misdaad leidende samenleving beschreef hij in een reeks romans die zich in de Rotterdamse penosewereld afspelen. Het is de vraag of zijn stelling, gezien zijn voorgeschiedenis, geheel onbaatzuchtig was. Hoe het ook zij, hij was één van de populairste auteurs van de sociale roman waarin hij met nadruk op de betrekkelijkheid van de "schuld" in de wereld van de misdaad wees.
Vader Joris van der Kulk, een conducteur bij de spoorwegen die in zijn vrije tijd ook horlogemaker was, huwde op 13 september 1890 met Wilhelmina Jacoba Helena Burgsteijn. Uit dit huwelijk werd op 24 maart 1891 in de Schiestraat in Rotterdam een zoon geboren, Willem van der Kulk. Het rode gezin verhuisde vaak. De anarchist Domela Nieuwenhuis was een frequent bezoeker van de familie, zo frequent dat buurtgenoten niet schroomden de ramen van huize Van der Kulk af en toe rood te schilderen.
Na de lagere school bezocht Willem korte tijd de mulo waar hij door z'n recalcitrante karakter meerdere keren van school werd gestuurd. Na weinig succesvolle, korte uitstapjes naar de Academie voor Beeldende Kunst en de Rijkstuinbouwschool in Naaldwijk had hij enkele baantjes. Op z'n 20e ging hij naar Engeland waar hij tuinder werd. Hij hield het bij geen baas uit en toen hij bij een rijke familie als tuinman werkzaam was en zijn avances tot de dochter des huizes niet op prijs werden gesteld koos hij een andere richting. Door zijn vlotte babbel bracht hij het tot chef-inkoper van komkommer- en tomatenzaad. Zelfs was hij enige tijd paardenkoper. Dit alles mondde in 1915 uit tot dienstneming in het Britse leger waar hij werd ingedeeld bij het 4e Regiment Zuidafrikaanse Infanterie. Hij werd uitgezonden naar België waar hij in de loopgraven vocht.
Als een verbitterd en verslagen man keerde hij in 1918 terug naar Rotterdam. Sindsdien stond hij op de bres voor de onderdrukten wat de basis legde voor zijn schrijverschap. Samen met de schavuit Willem Broekhuis, die later figureerde in de roman Lord Zeepsop, runde hij een adviesbureautje. Hij beschikte over veel zakentalent. Bij een haringtransactie met Duitsers leverde hij bijvoorbeeld alleen de koppen. De rest hield hij zelf. Willem merkte hierover op dat de Duitsers maar niet wilden begrijpen dat een Hollandse haring zijn lijf verliest aan transport- en administratiekosten. Dat kon natuurlijk niet goed aflopen. Van der Kulk en de magistratuur waren dan ook geen onbekenden voor elkaar. Ook een handel in een partij jenever waarvoor "vergeten" was accijns te betalen kon in de ogen van de rechter geen genade vinden. In december 1923 werd hij wederom tot celstraf veroordeeld. Dat de president van de rechtbank, mr De Bie, hem geen slecht hart toedroeg moge blijken uit het feit dat deze hem in de Haagse gevangenis kwam opzoeken.
In de cel begon hij gedichten te schrijven die terecht kwamen bij de bekende schrijver A.M. de Jong. Dit was het keerpunt in Willem's leven. "Schrijf ook over hoeren en de gevangenis" adviseerde De Jong "dáár zitten de mensen op te wachten". Hij schreef zijn verhalen in de taal van het volk en omdat zijn naam niet zo gunstig bekend stond koos hij een pseudoniem dat hij ontleende aan de straat waar zijn ouders woonden, de Iependaal in het tuindorp Vreewijk in Rotterdam.
Op 2 september 1931 trouwde hij met Josephina Hermina (Fie) Klapwijk (12 augustus 1904 - 31 juli 1988) en betrok een woning tegenover zijn ouders, Iependaal 23b. Ze kregen 2 zoons en een dochter, Kea, die helaas op zevenjarige leeftijd in 1952 overleed. Van Iependaal debuteerde in 1932 met de poëziebundel Liederen van den zelfkant, rauwe, satirische liederen die wel met het werk van Koos Speenhof zijn vergeleken. In 1933 volgde Over de leuning en langs de kaai. 1934 bracht hem naar Amsterdam, Celebesstraat 98 en een jaar later Archimedesstraat 32. Hij besteedde veel tijd aan het schrijven van zijn romans, trad op bij het Amstel Cabaret en gaf in heel het land lezingen. Polletje Piekhaar verscheen in 1935, een enorm succces, in 1937 gevolgd door Lord Zeepsop en Kriebeltje. Beide waren bestsellers.Op de verhuizing naar de volgende woning (Heiloo) rustte geen zegen; in 1943 moest het huis op last van de Duitsers worden verlaten. In Laren werd vervangende huisvesting gevonden, Hoefloo 11, waar gedurende de oorlog aan vele onderduikers onderdak werd verleend.
Na de oorlog maakte Van Iependaal voor de Vara-radio programma's zoals het zeer populaire hoorspel Denk om de bocht dat de wetenswaardigheden vertelde van de Amsterdamse tramconducteur Gijs Langsdeweg. De hierin gebruikte kreet "Karre mááár" lag op ieders lippen.
Nadat de Amsterdamse politiecommissaris Voordewind zijn memoires publiceerde onder titels als "De commissaris vertelt" en "De commissaris vertelt verder" deed Van Iependaal een boekje open over zijn ervaringen in de gevangenis en onder de zware jongens en lichte meiden in De commissaris kan me nog meer vertellen (1951). Er gingen 160.000 exemplaren van over de toonbank! Zijn in 1952 verschenen Bef, boef en bajes had tot gevolg dat in de gevangenissen een aantal verbeteringen werden doorgevoerd. In totaal verschenen van zijn hand meer dan 30 boeken waarvan vele een herdruk beleefden.
Wegens zijn verdiensten in de 2e Wereldoorlog werd hem op 16 oktober 1954 de Nederlandse nationaliteit die hij in 1915 door dienstneming bij een vreemde krijgsmacht had verloren, teruggegeven.
Zijn gezondheid ging inmiddels achteruit. Na enkele lichte hartaanvallen in 1951 deelde de dokter hem mee dat hij zich in acht diende te nemen. Drie weken voor zijn dood, hij woonde toen in Baarn, trof hem na een lezing, staande bovenaan de trap van zijn hotel wederom een hartaanval. Hij viel daarbij van de trap en kreeg ook nog een hersenbloeding. Hij overleed op vrijdag 23 oktober 1970 in het ziekenhuis in Baarn. De berichtgeving in de kranten was kort en zakelijk. In alle rust werd hij op 27 oktober 1970 op de Algemene Begraafplaats in Laren teraardebesteld, graf G 17.
Critici rekenden hem niet tot de Nederlandse literatuur en misschien wel terecht. Van Iependaal gebruikte eenvoudige taal doorspekt met bargoens hetgeen wat geforceerd overkomt.Toch was hij één van de populairste volksschrijvers van ons land die een omvangrijk oeuvre aan gedichten, romans, hoorspelen en scenario's achterliet.
Op zaterdag 30 mei 1987 werd door zijn weduwe een gevelsteen boven de voordeur van Iependaal 23b onthuld. Slechts 3 jaar later werd de herdenkingssteen, alvorens tot sloop van de woning werd overgegaan, uit de gevel verwijderd. (2003)
Literatuur
- Annet van den Broek, Kees Groen: Hun laatste rustplaats (1985)
- Rotterdams Nieuwsblad: Het leven van Willem van Iependaal in de edities van 29 januari, 5, 14 en 21 februari, 1, 4 en 8 maart 1986
- Margreet Schrevel: Willem van der Kulk - Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel 5 (1992)
- Hans Heesen, Harry Jansen: Willem van Iependaal, leven op het randje - Pen in ruste (2001)

* Doornik 14 april 1755 - † Groningen, 14 april 1839
Mr. Petrus Hofstede was gouverneur van de provincie Drenthe van 1814 tot 1831. Hij wist Assen, door Lodewijk Napoleon tot stad verheven, in zijn snelle groei tot een aantrekkelijke plaats te maken met de stichting van een Franse school, met het oprichten van een oudheidkundig genootschap, het geven van de opdracht de oude statenarchieven te ordenen (van groot belang voor de Drentsche geschiedschrijving), de oprichting van een provinciale drukkerij, de oprichting van de Drentsche Courant en de bouw van een Schouwburg.
Door zijn stug en autoritair gedrag was hij echter niet geliefd. Hofstede woonde op landgoed Vredeveld, even buiten Assen, dat met zijn komst zijn glorietijd beleefde. Als residentie van de hoogste gezagsdrager in de provincie werden er grote feesten en diners gegeven en bijeenkomsten gehouden en op hoogtijdagen - zoals 25 augustus, de verjaardag van de Koning - werd het gehele landgoed feestelijk verlicht, waarbij heel Assen en naaste omgeving uitliep.
Jacob van Lennep, die met zijn vriend Dirk van Hogendorp in 1823 een reis door de noordelijke provincies maakte, schreef bij hun bezoek aan Vredeveld over het huis:
"We wandelen te vier ure naar Vredeveld, de buitenplaats van den Gouverneur, waar Van Hogendorp vier jaren vroeger gelogeerd had. Dezelve is aan een weg naar Rolde en een kwartier van Assen gelegen en zeer uitgestrekt. Het huis ligt open, heeft twee vleugels en een torentje. Aan de linkerzijde der oprijlaan staat een groote duiventoren met onnoemlijk veel vogels, waarbij kippen, eenden, ganzen, kalkoenen, pauwen enz wandelden."
Nadat Hofstede met ingang van 25 augustus 1831 eervol ontslag was verleend, vestigde hij zich begin 1832 in Groningen waar hij in 1839 overleed. Hofstede ligt begraven op de Noorderbegraafplaats in Assen. (2001)

Dit artikel is in bewerking (red.)
* Coevorden 3 februari 1851 – † Montreux (Fr.) 11 juli 1924
Nederland kent een groot aantal gedenktekens voor militairen die voor Nederland hebben gestreden. Denk maar aan de fraaie standbeelden van bijvoorbeeld Michiel de Ruyter, Piet Hein of Jan Pz. Coen. Van een aantal van hen zijn ook fraaie grafmonumenten bewaard gebleven. Meer omstreden zijn echter de gedenktekens voor generaal Van Heutsz. In Coevorden, waar Van Heutsz geboren werd, zal niemand zich op het hoofd krabben als men over de Van Heutszsingel of langs het Van Heutszpark rijdt. In Amsterdam doet men dat wel, maar daarover verderop meer.
Johannes Benedictus Van Heutsz werd in 1851 te Coevorden geboren. Op 22-jarige leeftijd ging hij als soldaat van het KNIL naar Atjeh. Nederland had dit deel van Nederlands Indië de oorlog verklaard omdat de Atjeeërs het de Engelsen en de Nederlanders met hun zeeroverij knap lastig maakten. Van Heutsz wist een dermate stempel op deze oorlog te drukken dat hij al snel de 'pacificator van Atjeh' wordt genoemd. Van Heutsz deed dat niet op zachtzinnige wijze, getuige de vele doden die er aan de kant van de Atjeeërs vielen. In 1896 ging de toen inmiddels tot luitenant-kolonel bevorderde Van Heutsz in het offensief en op grond van de successen die hij behaalde werd hij in 1898 benoemd tot gouverneur van Atjeh. Dat hij onder die functie zijn strijd voortzette zal geen twijfel hebben geleden. Tienduizenden Atjeeërs vonden de dood. Van Heutsz werd als dank voor zijn inzet in 1904 benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, een functie die hij tot 1909 bekleedde. Als gouverneur-generaal bevorderde hij de economie in Nederlands-Indië, wat leidde tot grote welvaart bij de Nederlanders, maar niet bij de inheemse bevolking. Na het neerleggen van zijn functie keerde Van Heutsz terug naar Nederland. In 1922 ging hij in het Zwitserse Montreux wonen, waar hij in 1924 op 73-jarige leeftijd overleed. Na zijn dood ontstond rond Van Heutsz de mythe van 'grote pacificator'. Van Heutsz zou aan de wieg hebben gestaan van het huidige Indonesië en wordt door velen nog steeds zo gezien.
Al snel na zijn dood werd onder andere door de reder Heldringh gepleit voor een standbeeld voor Van Heutsz. Heldringh had er al voor gezorgd dat een beeltenis van Van Heutsz opgenomen werd aan de gevel van het nieuwe kantoor van de Nederlandse Handel Maatschappij in Amsterdam. In juli 1924 werd een comité opgericht dat zich moest beijveren voor een dergelijk standbeeld. Tegelijkertijd werd door de Bond van Ridders der Militaire Willemsorde geijverd voor een standbeeld in Coevorden. Beide beelden zijn er uiteindelijk gekomen, maar het beeld in Amsterdam op een wat andere manier dan de intentie was. Rond de herbegrafenis van Van Heutsz ontstond namelijk de gedachte eerst een grafmonument te laten ontwerpen. Diverse kunstenaars leverden een ontwerp maar dat van beeldhouwer B.M.A. Ingen Housz en architect D. Roodenburg werd gekozen. Het grafmonument werd opgericht op de Nieuwe Oosterbegraafplaats aan de Kruislaan in Amsterdam. Deze begraafplaats was in 1894 in gebruik genomen en was aangelegd naar een ontwerp van de tuinarchitect L.A. Springer.
De monumentale, granieten grafkelder van Van Heutsz lag op een prominente plaats achter de aula en het crematorium van de begraafplaats. Het monument was geheel opgebouwd uit granieten blokken die verschillende bewerkingen lieten zien, van grof naar glad. Bij de toegang tot de kelder flankeerden twee figuren als dodenwachters de ijzeren deur, die via een aantal treden te bereiken was.
Het dak van de kelder werd gevormd door een teruggezette partij die wel wat weg had van een sarcofaag. Op deze zijde was in koper de letters ‘Van Heutsz’ zichtbaar. Aan de achterzijde die ten opzichte van de voorzijde flink hoger lag, waren wederom twee wakers te zien. Deze figuren waren veel meer opgenomen in het monument en flankeerden een tekstplaat. Hierop was de naam van Van Heutsz te lezen, evenals zijn verdiensten.
Begin 20ste eeuw was het monument nogal in de verdrukking geraakt door uitgelopen en slecht onderhouden sparren en ander groen. Op oude foto’s maakte de kelder een massieve, martiale indruk, een generaal waardig.
De herbegrafenis van Van Heutsz vond plaats op 9 juni 1927 en verliep ondanks protesten van links Nederland, rustig. Er bleek na de voltooiing van het grafmonument nog geld genoeg over om ook het eerder bedoelde standbeeld te laten maken. In 1928 besloot de gemeenteraad een plek aan te wijzen in het plantsoen op de kop van het Olympiaplein, tegenover het Amsterdams Lyceum. In 1935 werd het monument hier onthuld door koningin Wilhelmina. Minister-president Colijn trad bij de onthulling op als spreker. Ook toen waren er protesten tegen het monument en die zijn eigenlijk nooit opgehouden. In 1967 werd zelfs een bom tot ontploffing gebracht bij het Van Heutsz Monument.
Hoewel de grafkelder zulks gelukkig niet heeft hoeven doorstaan, is de tijd ook hier niet ongemerkt voorbijgegaan. In het vroege voorjaar van 2003 werd de grafkelder namelijk gedemonteerd en opgeslagen op de Nieuwe Ooster. Men wilde namelijk de 'zichtlijnen' van het oorspronkelijke ontwerp van Springer herstellen. In overleg met Bureau Monumenten & Archeologie en de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg werd hiervoor gekozen. Nu is de plek waar de grafkelder stond, ingericht als bloemenplateau. De grafkelder is anno 2011 herplaatst op een nieuwe plek aan de zuidzijde van de begraafplaats. (2001-2003-2011)
Literatuur
- Een plaats van rust en bezinning, 100 jaar Nieuwe Oosterbegraafplaats; Roever, Margriet de; 1994; blz. 45.
- ‘In ‘t nokkend wee der ziel welt een traan’, oude graftekens op de nieuwe Oosterbegraafplaats; Stokroos, Meindert, 1992, blz. 22-23.
- Tot in eeuwigheid, op reis langs luisterrijke begraafplaatsen; Hoek, Sietse van der; 1994, blz. 160.
- 'Monument Van Heutsz moet verplaatst', in: NRC Handelsblad van 25 september 2001, blz. 7.
- 'Van Heutz Verhuisd', in De Begraafplaats nr. 1, jaargang 4, blz. 6,7.
- Nieuwsbrief van de Nieuwe Ooster, nr. 2, februari 2003.

* Amsterdam 13 september 1939 - † Amsterdam 24 februari 1984
Frans Halsema werd in 1939 geboren aan de rand van de Amsterdamse Jordaan, als zoon van een katholieke reclametekenaar. In zijn jeugd was hij misdienaar en trad op in de door zijn vader geschreven revuetjes.
Tijdens zijn militaire dienstplicht kreeg hij een schrijversopleiding en ging hij 's avonds naar de cabaretschool van Bob Bouber in Amsterdam. Enkele jaren later leerde hij het vak bij het ABC-cabaret van Wim kan en Corry Vonk.
Grote roem oogstte hij in de jaren zeventig. Hij maakte talloze televisieshows, maakte enkele theatershows met Gerard Cox en speelde twee seizoenen lang de rol van 'Frans' in de musical 'En nu naar Bed'. Het duet 'Vluchten kan niet meer' met Jenny Arean werd een klassieker. In 1977 kwam Halsema met zijn eerste one-manshow, 'Ik, ik en nog er 's ik'.
In 1983 wees hij een verzoek af om op het Boekenbal op te treden vanwege problemen met zijn stembanden. Februari 1984 overleed Frans Halsema aan keelkanker. Halsema ligt begraven op Zorgvlied. Zijn graf wordt afgebakend door kleine keien. Aan zijn hoofdeinde ligt een grote kei. (2001)