Groningen

Ooit meende men het haven- en industriegebied van Delfzijl zo te moeten uitbreiden, dat er geen plaats meer was voor een aantal dorpen. Een van de dorpen die moest wijken was Oterdum, dat in z'n bloeitijd zo'n 200 inwoners telde. Dorp met kerk en kerkhof waren gebouwd tegen de dijk. De kerk zelf stak boven de dijk uit. Soms raasde de storm terwijl de kerkdienst bezig was. En het schijnt gebeurd te zijn dat de dominee op de kansel, uitkijkend over zee, zag dat een schip in nood was. Midden in de preek riep hij uit: "Het is goed dat we hier zijn, broeders, want daarginds vergaat een schip." Geen reden voor het kerkvolk het gebouw te verlaten en zich te wijden aan reddingswerkzaamheden. Ze wisten: de resten spoelen straks vanzelf wel aan en dan eerst is er werk aan de winkel. Want jutten deden ze stuk voor stuk.

Tijdens restauratiewerkzaamheden in 1970 ontdekte men onder de vloer van de kerk van Oldehove (Groningen) twee grafkelders, waarin zich in de ene slechts een houten reiskoffer bevond, maar in de andere een tombe met daarom heen een groot aantal beenderen en schedels. Deze waren overblijfselen uit houten kisten, die stonden opgesteld rond de stenen tombe, maar nu waren vergaan. De zandstenen tombe - die in delen ter plekke in elkaar moet zijn gezet, gezien de beperkte toegang - bevatte restanten van een houten kist, waarin een loden kist was geplaatst. Bij de ontdekking van de tombe in deze grafkelder moest men constateren, dat men zich ooit met geweld toegang tot de tombe heeft willen verschaffen, waarschijnlijk om kostbaarheden te roven. De helften van de deksel waren duidelijk met geweld van elkaar gerukt.

Het heeft lang geduurd voor het Stadskanaal doorgetrokken was tot de Duitse grens. In 1765 besloot het bestuur van de stad Groningen tot het graven van het nieuwe kanaal, dat nodig was in het kader van het vervenen van het omliggende gebied. In 1865 had het Stadskanaal zijn uiteindelijke lengte bereikt. Langs het kanaal verrezen huizen, landbouwers vestigden zich op de dalgronden en het dorp Stadskanaal ontstond. Naarmate het kanaal vorderde verplaatste het centrum van het dorp zich. Aanvankelijk een agrarisch dorp, kreeg nijverheid en industrie rond de eeuwwisseling een steeds belangrijker plaats. Het kanaal, de huizen langs het kanaal, boerderijen wat verder het land in, het ademt met de open ruimte van het achterland een heel eigen sfeer.

Het is een bekend gegeven, dat graven in oude kerken voornamelijk van aanzienlijke personen en families zijn. Herenbanken met familiewapens, rouwborden, tombes, praalgraven en rijk geornamenteerde stenen laten er geen twijfel over bestaan, dat wie hier liggen het ooit te zeggen hadden in deze streek. En voor zover het al niet af te lezen zou zijn aan genoemde funeraire stukken, men zorgde ervoor dat er niemand aan zou twijfelen wie opdrachtgever en geldschieter was geweest voor de bouw van de toren (gedenksteen boven de ingang), het orgel (cartouche op de kas van het Hoofdwerk) en ander kerkmeubilair.
De opdracht tot de bouw van een nieuwe toren voor de Hervormde Kerk van Uithuizermeeden werd gegeven door Onno Tamminga van Alberda, heer van Rensema, in 1717. Willem Alberda van Rensema schonk het huidige orgel, dat in 1785 werd ingewijd. Hij overleed in 1786 en werd als laatste bijgezet in de grafkelder onder het koor van de kerk. Aan hem herinnert het rouwbord op het koor van de kerk.