Beroemde Graven

* Kalkar (hertogdom Kleef) 1529 - † Pieterburen 2 juni 1597
Een Geus in Pieterburen
Laat in een gesprek de naam Pieterburen vallen en al spoedig komen zeehonden en wadlopen ter sprake. Tuinfanaten weten van het bestaan van "Domies Toen" (de tuin van de dominee) vanwege de bijzondere bloemen en zeldzame planten in die tuin. Tussen deze tuin en de begraafplaats van Pieterburen bevindt zich een juweel van een gotische kerk uit de 15e eeuw. De toren is echter van veel later datum en stamt uit het begin van de 19e eeuw. Boven de ingang lezen we:
AO 1805 HEEFT JR. GOOSEN GEURT ALBERDA, HR. VAN DYKSTERHUIS ENZ. ENZ., DEZE TOREN LATEN BOUWEN. HARMANNUS HAVINGA, KERKVOOGD EN SCHOOLMEESTER TE PEETERSBUREN, HEEFT OP DEN 20 MEI DE EERSTE STEEN GELEGD. M. WALLES VAN GRONINGEN IS ARCHITEK HIEROVER GEWEEST. RINE PIETERS, HARM TINKELES EN DREWS LEVI HEBBEN HET WERK VERVAARDIGT.

* Winschoten 23 februari 1700 - † Midwolda, 20 november 1750
{seog:disable}Wilhelmus Schortinghuis studeerde in Groningen, begon als predikant te Weener (Ost-Friesland) en was van 1734 tot 1750 predikant te Midwolda (Old) in de provincie Groningen, waar hij ook overleed. Onder invloed van een Ostfriese collega werd Schortinghuis in 1724 gewonnen voor de bevindelijke vroomheid die daar bloeide. Een aantal geestelijke gezangen, die poëtisch van geringe betekenis waren, maakten zijn geestelijke ommekeer bij een groter publiek bekend. Deze gezangen werden gebruikt in kringen, ook wel conventikels genoemd, die het vaak niet meer konden vinden in de traditionele kerk, omdat daar ook "onbekeerden" kwamen. De mensen uit die kringen waren overtuigd van hun geloof, hun zelf ervaren vroomheid en hun bekeerd-zijn. In 1738 gaf Schortinghuis voor de belijdeniscatechisanten en "minkundigen" in zijn gemeente het boekwerkje Nodige waarheden in 't herte van een christen uit.

Kampen 19 december 1890 – Kampen 23 maart 1952
Op de algemene begraafplaats van Kampen, gelegen aan de Rondeweg te IJsselmuiden, treffen we, temidden van de graven van veel theologen en burgerlijke autoriteiten, het graf aan van Dr. K. Schilder. Wie hem noemt, noemt ook de gereformeerde kerken vrijgemaakt.

* Amsterdam 16 oktober 1856 - † Laren 6 november 1918
Walburga Wilhelmina Moes werd op de Oudezijds Voorburgwal in Amsterdam geboren en groeide op in een gezin met 6 kinderen. Vader August Leopold Moes was koopman en bezat een manufacturenzaak. Hij overleed toen Wally 8 jaar was. Moeder Maria Mathilda Christina Gertrud Breitenstein, van Duitse afkomst, verkeerde in haar jeugd in artistieke kringen. Zij stimuleerde haar dochter in die richting en mede dankzij haar kwam Wally met nauwelijks enige tekenervaring op de Academie voor Beeldende Kunst in Amsterdam (1876). Uit protest tegen de slechte kwaliteit van het onderwijs verliet zij de academie in 1878 doch keerde terug toen prof. August Allebé directeur was geworden en verbleef daar van 1880 tot 1884. Van prof. Allebé leerde ze, zoals ze het zelf uitdrukte, de onderste sporten van de ladder te beklimmen: het zorgvuldig en getrouw nabootsen van de natuur. Ze verliet de academie met de aantekening "schildert uitmuntend".
{seog:disable}In het begin van de tachtiger jaren van de 19e eeuw vestigde ze haar naam met genrestukken en portretten. Haar werk varieert van realistische romantiek zoals haar Larense taferelen tot mierzoet romantisch werk zoals Baby in wieg. Rond 1885 bereikte ze het hoogtepunt van haar schilderscarrière, ze ontving de Willink van Collenprijs voor Spelende kinderen aan tafel. Museum Boymans-van Beuningen kocht voor f 1.500,- haar Schaftuurtje (1885). In die tijd een aanzienlijk bedrag. Ook het Singermuseum in Laren en het Haags gemeentemuseum hebben werk van haar in bezit.
Na enkele jaren het dorp Laren regelmatig bezocht te hebben vestigde zij zich in 1886 samen met haar studiegenoot Etha Fles, in de Villa Maria aan de Naarderweg. Een jaar later betrok ze het nog steeds bestaande "Lindenhof" (huis) en "Klein Lindenhof" (atelier) aan de Oude Naarderweg resp. 10 en 8. In het logement De Vergulde Postwagen, het latere hotel Hamdorff, ontmoette ze veel kunstbroeders zoals Anton Mauve, Albert Neuhuys en Ferdinand Hart Nibbrig. Mauve en Gabriël adviseerden haar niet zo gedetailleerd te schilderen maar kleur als uitgangspunt te gebruiken. Dat lukte haar maar matig en in 1893 keerde ze weer terug tot het schilderen van genrestukken.
Na haar vestiging in Laren openbaarden zich de eerste verschijnselen van gewrichtsreuma. Schilderen werd steeds moeilijker waardoor ze in 1908 begon met het schrijven van verhalen. In 1911 verscheen Larensche dorpsvertellingen gevolgd door Gooische dorpsvertellingen in 1913. Haar autobiografie Heilig ongeduld. Herinneringen uit mijn leven (1914-1918) werd in 1961 uitgebracht, waarna nog Nagelaten vertellingen het daglicht zag. Vanaf 1914 was het haar door de voortschrijdende reuma niet meer mogelijk zich zelfstandig te verplaatsen laat staan een penseel te hanteren; ze moest het schilderen opgeven.
Wally Moes stierf in 1918 aan de gewrichtsreumatiek die haar in de laatste jaren van haar leven zo teisterde. Ze werd begraven op de Algemene begraafplaats in Laren, graf rij 2 letter B. Alhoewel het zwarte glazuur grotendeels van de letters is verdwenen en bijgevolg nog slechts hier en daar zichtbaar is heeft de grafsteen de tand des tijds behoorlijk doorstaan. Haar broer Franz August Moes werd in 1949 eveneens in dit graf begraven. In 1969 werd Justine Cornelie De Clercq Zubli bijgezet. Omdat overlijdensakten pas na vijftig jaar openbaar zijn is (nog) niet te achterhalen wat haar relatie tot de familie Moes was. Waarschijnlijk is zij de zuster van Pauline Sijbregje de Clercq Zubli, eerste echtgenote van Franz Moes. Dit huwelijk werd op 13 december 1918 door echtscheiding ontbonden. Ter nagedachtenis aan Wally Moes is in Laren een weg naar haar vernoemd.
Literatuur
- Sanne van Smoorenburg: Wally Moes - De schilders van Tachtig o.r.v. Richard Bionda e.a. (1991)
- Lien Heyting: De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (1994)